Verklarende woordenlijst
We hebben getracht zoveel mogelijk woorden en begrippen die met neurostimulatie en incontinentie te maken hebben, onderstaand voor u te omschrijven.
Mochten er nog begrippen of andere onduidelijkheden zijn, horen wij dat graag van u en zullen we de woordenlijst uitbreiden. Een mailtje naar webmaster volstaat.
AANDRANG INCONTINENTIE (Urge Incontinentie) : Onwillekeurig urineverlies dat gepaard gaat met een zeer dringende aandrang (urge) tot urineren die niet te stoppen is. Het aandranggevoel komt plotseling en is niet te stoppen zodat iemand op dat moment de urine laat lopen zonder dat te willen.
AFSTANDSBEDIENING: geavanceerd apparaatje voor de neurostimulator om hem aan of uit te zetten en eventueel de amplitude (stroomsterkte) te veranderen.
AMINOZUREN: Organische zuren van meestal gecompliceerde structuur; zij vormen de bouwstenen voor de eiwitten en vele ervan zijn essentieel , d.i. kunnen niet door het organisme worden gemaakt en moeten dus met het voedsel worden toegevoerd
AMPLITUDE: De sterkte of intensiteit van de stimulatie in Volt (V).
BLAASINSTABILITEIT: Een onbeheersbare drang tot plassen dat kan resulteren in vele malen kleine plasjes. Deze drang kan elk kwartier ontstaan.
BLAASFUNCTIESTOORNIS: Hiervan is sprake als de patiënt geen controle heeft over de frequentie, het tijdstip en de grootte van de plas. Blaasstoornissen hebben betrekking op een overactieve en op een luie blaas.
BOWEL: Darm (Met betrekking tot de darmen/ingewanden)
CATHETER: Een kleine slangetje waarmee de urine uit de blaas kan worden afgetapt.
CONTRA-INDICATIE: Een aanwijzing waardoor een behandeling niet voor u geschikt zou zijn. Het voordeel van gebruik weegt niet op tegen het daaraan verbonden risico.
DIATHERMIE: Therapie bij medische apparaten die extern toegepast wordt om energie in het lichaam van de patiënt af te geven. De drie energietypes die gebruikt kunnen worden zijn kortegolf, microgolf en ultrasound. Afhankelijk van het gebruikte energieniveau, produceren diathermie-apparaten warmte binnen in het lichaam van de patiënt. (tekst brief waarschuwing)
DRUPPELINCONTINENTIE: Ook wel bekend als overloopincontinentie, is ongewenst urineverlies in combinatie met een overrekte en te volle blaas. Doordat de blaas overvuld is kan de blaashals niet goed afsluiten en verliest iemand gemakkelijk urine. Deze vorm komt vaker bij mannen dan bij vrouwen voor.
DYNAMISCHE GRACILIS PLASTIEK: Neurostimulatie behandeling bij ontlastingsincontinentie waarbij geen intacte anus aanwezig is en waarbij gebruik gemaakt wordt van een dijbeenspier die om de anus gelust wordt en aangestuurd wordt door een neurostimulator.
ELEKTRODE: Een geleidingsdraad - een klein snoer of draad met elektrodepuntjes die elektrische stimulatie geeft aan een zenuw of spier.
FREQUENTIE: Het aantal keren, in pulsen per seconde, dat een stimulatie-puls wordt afgegeven.
INCONTINENTIE (definitie): Het ongewild verlies van urine en/of ontlasting, dat leidt tot hygiënische en persoonlijke problemen. Er is sprake van incontinentie als twee of meer keer per maand onwillekeurig verlies van urine optreedt op onregelmatige plaatsen en momenten. De hoeveelheid maakt hierbij niets uit.
INTERSTIM®- THERAPIE: Een therapie waarbij een geïmplanteerd stimulatiesysteem milde elektrische impulsen naar de sacrale zenuw stuurt om de blaasproblemen en of darmproblemen te verminderen.
INTERSTITIELE CYSTITIS: (Ook wel blaaspijn syndroom genoemd), symptomen zijn vaak plassen in kleine hoeveelheden, altijd pijn tijdens het plassen.
LEAD: (soms ook elektrode genoemd) een geleidedraad voorzien van een aantal elektrodes (contactpunten)waardoor een elektrische stroom geleid kan worden.
MAGNEET: Wordt meegeleverd bij de neurostimulator om hem aan of uit te zetten
NEUROSTIMULATOR (of Iplanteerbare Pulse Generator [IPG]): Een klein implanteerbaar apparaat (pacemaker achtig) dat lichte eletrische impulsen afgeeft voor zenuwstimulatie.
OVERACTIEVE BLAAS (OAB): Aandoening waarbij onvrijwillige of niet te remmen samentrekkingen van de blaas(spier) mogelijk de oorzaak zijn van de symptomen van de patiënt.(vaak aandrang en vaak plassen)
OVERLOOPINCONTINENTIE: zie Druppelincontinentie
PLAS- OF INCONTINENTIEDAGBOEK: Een boekje op zakformaat waarin dagelijks de plassymptomen moeten worden vastgelegd.
PLASSEN: De urine uit de blaas laten stromen.
PROEFSTIMULATOR: (externe stimulator) Een door een batterij gevoed "testkastje" dat aan de kleding wordt bevestigd en die zwakke elektrische pulsen aan de sacrale zenuw afgeeft.
POLYPEPTYDEN: ketens van een groot aantal aan elkaar verbonden aminozuren.
PTNS: Percutane Tibial Nerve Stimulation (voorheen SANS therapie)
PNE TEST: (Periferal Nerve Evaluation) Proefstimulatie voor urine incontinentie
RETENTIE: Niet of niet volledig kunnen uitplasssen, de "rest" urine blijft in de blaas achter (residu). Urine die in de blaas achterblijft geeft een onprettig gevoel en vormt een voedingsbodem voor bacteriën.
SACRALE ZENUWEN. De zenuwen die bij de basis van het ruggenmerg in de lagere rugstreek zitten. Sacrale zenuwen reguleren de blaas, darmen en de bekkenorganen.
SACRALE ZENUW ZENUWSTIMULATIE: Elektrische impulsen die afgegeven worden aan de sacrale zenuw door een neurostimulator.
SEROMA: Een hoeveelheid vloeistof in een weefsel of orgaan.
STIMULATIE: Elektrische pulsen die door een neurostimulator aan de sacrale zenuw worden afgegeven.
STRESSINCONTINENTIE: Onwillekeurig urineverlies tijdens buikdrukverhogende momenten zoals lachen, niezen, sporten, hoesten. Als op zo'n moment de sluitspier van de blaas niet goed functioneert, dan verliest iemand scheutjes urine. Stress heeft hier niets te maken met psychische druk maar betekent hier een verhoogde buikdruk. Stressincontinentie wordt ook wel inspanningsincontinentie genoemd en komt voornamelijk voor bij vrouwen.
TESTGELEIDINGSDRAAD: Een dunne draad met een elektrodeplaatje als tip die elektrische stimulatie aan de sacrale zenuw afgeeft.
TESTSTIMULATIE: Een tijdelijke procedure waarbij een testgeleidingsdraad (een dunne draad) bij de sacrale zenuw wordt geplaatst en op een extern stimulatiesysteem wordt aangesloten. Tijdens de teststimulatie wordt een plas- of incontinentiedagboek bijgehouden waarin de wijzigingen in de symptomen worden bijgehouden. Aan de hand van dit dagboek wordt vastgesteld of de patiënt baat kan hebben bij de lnterStim Therapie.
TINED LEAD: Een geleidedraad (met een aantal elektroden/contactpuntjes) en tevens voorzien van silicone weerhaakjes die er voor zorgen dat de Lead "vanzelf" op de plaats blijft zitten waar de stroomimpulsjes afgegeven moeten worden.
U.D.O.: UroDynamisch onderzoek: onderzoek naar de functie van de blaas en omringende organen. (sluitspier en bekkenbodem)
URGE-INCONTINENTIE: zie aandrangincontinentie
URGENCY FREQUENCY (veel aandrang en vaak plassen) Onbeheersbare aandrang om te urineren, meestal resulterend in vele malen kleine hoeveelheden urine.
URINARY: Urine (Met betrekking tot het systeem dat de urine opslaat en afvoert)
URINELOZING: Het plassen.
